Champagne - Klimaat en terroir

Klimaat en terroir

De grenzen van het wijnbouwgebied Champagne zijn voornamelijk bepaald op grond van bodemsamenstelling, bodemstructuur en mesoklimaat. 
De ondergrond wordt gekenmerkt door een op sommige plaatsen 200 meter dikke laag kalk en krijt, genaamd craie à belemnites (vertaald: kalk van inktvis). Miljoenen jaren geleden was een uitgestrekt, laaggelegen gebied, het zogenaamde Bekken van Parijs, een grote binnenzee. Met het terugtrekken van het water blijkt aan de oostelijke rand, het huidige wijnbouwgebied, een soms zeer dikke laag van fossielen van inktvisjes, zee-egels, babyoesters en dergelijke te zijn afgezet. Hierover is slechts enkele tientallen centimeter dunne laag aarde gekomen.

Deze specifieke bodemsamenstelling en bodemstructuur draagt in belangrijke mate bij tot het karakter en de kwaliteit van champagne. Want in de zachte steensoort dringen de wortel van de wijnstok diep door en zij voeden zich met een rijke verscheidenheid aan mineralen. Tevens garandeert deze bodemstructuur een goede afvoer van het regenwater, terwijl ze tegelijkertijd voldoende vocht kan vasthouden. De kalksteen functioneert als een soort spons en blijkt perfect voor de waterhuishouding, hetgeen van doorslaggevend belang is.
Ook neemt deze bodem snel de zonnewarmte op om die 's avonds en 's nachts weer af te geven. Deze eigenschap van de bodem is niet zonder belang, gezien de Champagne op de grens ligt waar, op het noordelijke halfrond, wijnbouw op grote schaal klimatologisch nog mogelijk is. De gemiddelde jaartemperatuur is 10,4°C en dat is slechts één graad boven het absolute minimum waarbij de wijnstok nog kan gedijen. 
Gelukkig liggen de wijngaarden op de hellingen, op een hoogte van 130 tot 180 meter boven de zeespiegel, waardoor ze worden beschermd tegen voorjaarsvorst die hier vaak toeslaat en dan vooral in de laag gelegen delen van het landschap. Wijnstokken moeten in de Champagne knokken, maar een goede wijnstok doet niets liever.

Het is juist dit voor de wijnstok nogal barre klimaat dat een cruciale bijdrage levert tot het niet te imiteren karakter en de ongeëvenaarde kwaliteit van champagne. Door de natuurlijke omstandigheden, zo nadrukkelijk verbonden met de noordelijke ligging, de nabijheid van de Atlantische Oceaan en ook reeds de invloed van het strengere, continentale klimaat, vraagt de groei en rijping van de druiven veel tijd. Het gevolg is een uiterste verfijning van aromastoffen en tevens een hoog zuurgehalte van de druiven. Finesse en rijkdom van aroma is één van de grote kwaliteiten van een goede champagne, terwijl het hoge zuurgehalte noodzakelijk is voor zijn absolute klasse. In een slechts marginaal warmer klimaat dan dat van de Champagne, zou de verhouding tussen suikers en zuren in de druiven niet optimaal zijn voor het produceren van een perfect mousserende wijn. Het gebied tussen Reims en Epernay, en ook zuidelijk van laatstgenoemde stad, is bosrijk en dat draagt eveneens in positieve zin bij aan het mesoklimaat. De bomen vormen een windscherm, stabiliseren daarmee enigszins de temperatuur en houden de luchtvochtigheid op peil. Op het eerste gezicht elementen van gering belang. Maar juist de wijnstok blijkt gevoelig voor dit soort details in het lokale, van plek tot plek verschillende klimaat.