De vele gezichten van rijpheid: Wanneer is een druif echt klaar?


We zijn augustus, nog even en de jaarlijkse stress valt weer van het gezicht van de wijnboer af te lezen. De oogstperiode komt in zicht. En telkens opnieuw blijkt hoe cruciaal dat moment is. De wijngaard en de weergoden worden nog meer dan anders in het oog gehouden.

Ben je in die periode toevallig op bezoek bij een wijndomein, dan stel je vast de meest vanzelfsprekende vraag die je kan bedenken: “En, wanneer starten jullie met de oogst?” In principe is dat helemaal geen domme vraag. Maar de kans is groot dat je er een ontwijkend antwoord op krijgt.

PIWI-revolutie - Nieuwe druiven, nieuwe wijnen


Wat me opviel dit jaar op Vinitaly, de grootste wijnbeurs van Italië? Het opvallende aantal wijnen van druiven zoals Bronner, Solaris, Souvignier Gris… Die zag je vroeger ook wel, maar dan vaak weggedrumd in een hoekzaaltje waar de ‘speciallekes’ stonden. Dit jaar niet meer. Ze stonden gewoon tussen de anderen op degelijke standen, als volwaardige wijndruiven. Wat ze uiteraard ook zijn.

Fiano

Fiano
Tot voor kort dacht ik stellig dat Greco mijn favoriete witte druif uit Campania was. Karaktervol, met pit en een duidelijke signatuur. Fiano leek me altijd net iets te gereserveerd. Tot ik in Irpinia belandde. Daar proefde ik de Fiano in zijn natuurlijke habitat, en eerlijk, het was een openbaring. Fiano bleek veel meer dan ik verwacht had: verfijnd, gelaagd en allesbehalve terughoudend.

Een oude nobele dame, diep geworteld in Irpinia
Fiano behoort tot de oudste druivenrassen van Italië. De oorsprong ligt in de heuvelachtige streek rond het dorp Lapio, in het hart van Irpinia. Daar, op de kleirijke bodems en onder invloed van het koele binnenlandse klimaat, ontwikkelde de druif het profiel waarmee ze vandaag nog altijd uitblinkt: elegant, complex en nooit overdadig.
De eerste schriftelijke vermeldingen van Fiano dateren al uit de 12de eeuw. Haar naam zou afgeleid zijn van ‘Apiana’, een verwijzing naar de bijen die zich aangetrokken voelden tot het zoete sap van de bessen. Andere bronnen spreken dan weer over ‘Latina’, wat mee verklaart waarom ze ook opdook onder synoniemen als Latina Bianca, Uva Latina of Santa Sofia. Die variatie aan benamingen, gecombineerd met haar genetische verwantschap aan andere oude rassen zoals Greco, heeft lang voor verwarring gezorgd. Maar recent genetisch onderzoek laat weinig twijfel: Fiano heeft een duidelijk eigen identiteit.
Toch hing haar voortbestaan aan een zijden draadje. De druifluis, twee wereldoorlogen en een tanende belangstelling voor traditionele druivenrassen deden Fiano bijna verdwijnen. Het was Antonio Mastroberardino die haar na de Tweede Wereldoorlog uit de vergeethoek haalde. Hij herplantte haar op de oorspronkelijke gronden rond Avellino en legde zo de basis voor wat vandaag bekendstaat als Fiano di Avellino DOCG. Dankzij zijn visie en volharding kreeg deze vergeten druif opnieuw een toekomst.
Binnen die appellatie zijn enkele gemeenten en wijngaardzones uitgegroeid tot referentie. Montefredane, Summonte en natuurlijk Lapio zelf leveren steevast wijnen met precisie en diepgang. Maar het is het kleine gehucht Arianiello, net boven Lapio, dat door kenners vaak als het ultieme Fiano-terroir wordt gezien. Niet toevallig liggen hier de wijngaarden van topproducenten zoals Colli di Lapio. De combinatie van grote hoogte, een oostelijke expositie, sterk kleihoudende bodems en constante luchtcirculatie zorgt er voor een optimale rijping. De druiven krijgen er overdag voldoende zon en koelen ’s nachts sterk af, wat de aroma’s scherp houdt en de zuren bewaart. Die spanning tussen rijpheid en frisheid levert Fiano op zijn best.
Dankzij dat microklimaat en de ondergrond ontwikkelt Arianiello-Fiano een uitgesproken structuur, met aroma’s die van florale subtiliteit evolueren naar vuursteen en bijenwas na enkele jaren op fles. Het zijn wijnen die zowel jong als gerijpt indruk maken, met een transparantie en lengte die zelden geëvenaard worden.

Wispelturig maar weerbaar in de wijngaard
Deze druif is best een nukkige dame en wie Fiano in de wijngaard wil temmen, moet van goede huize zijn. Fiano is een laatbloeier, met een groeicyclus die zich uitstrekt tot laat in september of zelfs oktober. Ze gedijt bij voorkeur op hoogte, zoals in de heuvelachtige zones van Irpinia. Daar zorgen de combinatie van vulkanische bodems, koele nachten en warme dagen voor een langzame en gelijkmatige rijping. Ideaal voor de ontwikkeling van haar aromatische precisie.
De standplaats is cruciaal: oriëntatie, luchtcirculatie en drainage maken het verschil tussen een vlakke wijn en een dragende wijn. In regio’s zoals Lapio en specifiek het gehucht Arianiello, komt Fiano volledig tot haar recht. Kleihoudende gronden zorgen daar voor grip en structuur, terwijl het frisse microklimaat haar elegantie bewaart.
De plant zelf is krachtig en expansief. De vegetatie groeit fors, met lange ranken en stevige houtstructuren. Een doordachte snoei is essentieel om haar groeikracht te temperen en de kwaliteit te bewaken.
De druif is best wel gevoelig voor ziektes als peronospora en oidium, vooral rond de bloei, wanneer de jonge trossen bescherming nodig hebben. Ze vraagt dus om een zorgvuldige aanpak in de wijngaard.
Gelukkig heeft ze ook troeven. De druiven hebben een stevige, leerachtige schil, die bescherming biedt tegen botrytis en helpt om de trossen gezond te houden tijdens de lange rijpingsperiode. Dat maakt Fiano opmerkelijk geschikt voor laat geoogste stijlen, zonder risico op rot of verlies aan frisheid. In droge, goed doorlatende bodems produceert ze minder fruit, maar wel druiven met meer concentratie en aromatische kracht.
Fiano levert compacte trossen van kleine tot middelgrote omvang, meestal piramidaal van vorm met een uitgesproken zijvleugel. De bessen zijn middelgroot, ovaal en goudgeel met een vleugje amber aan de zonzijde. Het sap is kleurloos, de smaak mild zoet met een licht krokante textuur. In de kelder betekent dit: veel vrijheid. Fiano laat zich vinifiëren in uiteenlopende stijlen, van strak mineraal tot rijk en romig, zelfs houtgelagerd of als passito. Zonder haar kern te verliezen.
Fiano is dus wispelturig in de wijngaard, maar wie haar leert kennen en begrijpt wat ze nodig heeft, wordt beloond met wijnen die méér doen dan plezieren. Ze weerspiegelen het landschap waaruit ze komen: precies, complex en altijd met karakter. En dat maakt haar tot een van de meest intrigerende witte druiven van Zuid-Italië.

In het glas: ingetogen complexiteit
Verwacht geen tropische fruitbom, geen overdreven aromatische intensiteit. Wat je wél krijgt, is een verfijnde structuur, een subtiel geurenspectrum en een opmerkelijke evolutie in het glas én in de fles.
Bij het inschenken toont Fiano zich lichtgeel, vaak met een wat groenige schijn. De eerste indrukken in de neus zijn floraal: acacia, jasmijn en lindebloesem domineren. Daaronder ligt een laagje fris wit fruit, meestal peer en groene appel, dat de wijn een jeugdige levendigheid geeft.
Fiano bezit een vermogen om zich fantastisch te ontwikkelen. Met wat flesrijping schuiven de aroma’s langzaam op richting amandel, hazelnoot, bijenwas en acaciahoning. Die aromatische verdieping gaat samen met een verandering in textuur: het mondgevoel wordt zachter, voller, romiger, zelfs licht olieachtig, maar zonder in logheid te vervallen. De wijn behoudt haar frisheid dankzij haar natuurlijke zuren, die haar ruggengraat vormen.
Bij oudere Fiano’s treden tertiaire tonen op de voorgrond. Rook, vuursteen, een hint van toast. Weliswaar nooit dominant, altijd in balans. Deze evolutie maakt Fiano niet alleen verrassend complex, maar ook geschikt voor flesrijping. Tien jaar is geen uitzondering, en wie geduld heeft, wordt beloond met een witte wijn die spanning, gelaagdheid en finesse combineert.

De hazelnoottoets: signatuur of subtiele schim?
Elk artikel dat je er over Fiano op naslaat komt terug op dat ene aspect dat typisch zou zijn voor een Fiano wijn, namelijk hazelnoot. Meer bepaald zou er bij gerijpte exemplaren een subtiele hazelnoottoets kunnen optreden. Deze aanwezigheid van geroosterde hazelnoot zit dan vooral in het aromaprofiel. Er zijn, zoals dat dan gaat, onderzoeken naar gevoerd en tijdens een sensorische analyse van tien Fiano-wijnen door zestig ervaren proefpanelleden, werd hazelnoot als geurcomponent consistent waargenomen. Weliswaar niet als dominant kenmerk, maar als element van complexiteit.
Die toets van ‘nocciola tostata’ is wat Fiano onderscheidt van veel andere witte druivenrassen. Ze verschijnt vaak samen met tertiaire aroma’s zoals bijenwas, honing en vuursteen, en draagt bij aan de herkenbaarheid van de druif na flesrijping. Voor sommigen is het net die hazelnoottoets die Fiano zijn typisch ‘volwassen’ karakter geeft.

Veelzijdigheid op tafel én in stijl
Fiano is niet in één stijl te vatten. Hoewel ze doorgaans droog en stil gevinifieerd wordt, vertoont ze een indrukwekkend palet aan stijlen. Afhankelijk van terroir, rijpingsgraad en vinificatietechniek beweegt Fiano zich moeiteloos tussen fris en lineair tot vol, gestructureerd en krachtig. Wat haar verbindt over die variatie heen, is een zekere ingetogen klasse die steeds de nodige complexiteit zal vertonen.
De jeugdige Fiano toont zich levendig en verteerbaar. Hier draait het om mineraliteit, frisse zuren en citrusachtige spanning, ideaal bij lichte mediterrane gerechten zoals vis, schaal- en schelpdieren, zomerse salades of antipasti met een zuurtje. Dankzij haar florale kant en haar gecontroleerde fruitigheid voelt ze zich ook prima thuis bij gerechten op basis van tomaat of met een kruidige toets. Zelfs een pittige bouillabaisse krijgt er een elegante partner bij.
Wanneer de wijn wat ouder is of afkomstig uit meer kleihoudende terroirs zoals Lapio of Arianiello, verandert haar rol aan tafel. Dan schuift Fiano op richting gevogelte, kalfsvlees of zelfs een sappige varkenskarbonade. De extra textuur, een vettiger mondgevoel en tertiaire aroma’s zoals hazelnoot, bijenwas en rook maken haar tot een witte wijn met de draagkracht van een rode.
Naast de droge varianten zijn er ook zoetere interpretaties. Zowel laat geoogste Fiano als passito wijnen, waarbij de druiven ingedroogd worden, leveren een geconcentreerd resultaat met honingachtige tonen, maar zonder hun elegantie te verliezen. Deze stijlen zijn zeldzamer, maar tonen des te meer de mogelijkheden van de druif.

DOCG Fiano di Avellino en verder
Hoewel Fiano di Avellino het bekendst is, wordt de druif ook elders in Italië aangeplant. Daar, in het heuvelachtige hart van Irpinia, liggen zowel haar historische wortels als haar hoogste expressie. De herkomstbenaming Fiano di Avellino DOCG geldt dan ook terecht als het referentiepunt.
Ook buiten de DOCG duikt Fiano op in diverse appellaties in Campanië, zoals Irpinia DOC, Cilento DOC en Sannio DOC. In Puglia wordt ze verbouwd onder de naam Fiano Minutolo. Deze is genetisch verwant, maar aromatisch heel anders, vaak expressiever en floraler van stijl. Op Sicilië wordt Fiano ingezet in onder meer Contessa Entellina DOC en Sicilia DOC, waar ze in een rijpere, warmere gedaante verschijnt.
Toch blijft Fiano di Avellino dé maatstaf. Niet alleen vanwege het terroir, maar ook door de wijnmakers die er de afgelopen decennia hun stempel op hebben gedrukt. Namen als Mastroberardino, Ciro Picariello, Pietracupa, Villa Diamante, Villa Raiano en Feudi di San Gregorio hebben elk hun eigen interpretatie, van strak mineraal tot rijp en houtgelagerd. Aan dat rijtje mogen zonder twijfel ook Colli di Lapio en Rocca del Principe worden toegevoegd. Beide producenten leveren jaar na jaar wijnen met precisie, diepgang. Hun wijngaarden liggen in het centrum van Arianiello en dat proef je gewoonweg. De kwaliteit spat ervan af.

Tot slot: een druif herbekeken
Mijn bezoek aan Irpinia heeft mijn kijk op Fiano grondig veranderd. Waar ik jarenlang zonder veel twijfel naar Greco greep, heeft Fiano zich daar van een andere, rijkere kant laten zien. Het is duidelijk een druif met een eigen profiel: zuiver, genuanceerd en met een opmerkelijk verouderingspotentieel.
Wat me vooral is bijgebleven, is hoe scherp de rol van terroir tot uiting komt. De hoogte, de bodems, het microklimaat. Dit blijken geen losse elementen te zijn maar bouwstenen die Fiano maken tot wat ze kan zijn. En dan heb je nog de wijnmakers die haar potentieel lezen en vormgeven, elk op hun manier.
Fiano is voor mij geen ontdekking in de zin van iets nieuws, maar een correctie van een onderschatting. Vanaf nu krijgt deze druif de aandacht die ze verdient. En ja, die fles Fiano di Avellino zal voortaan niet meer onopgemerkt naast de Greco blijven staan. Integendeel.
Soort
Herkomst

Zo behoud je de bubbel: Inschenken speelt een grotere rol dan je denkt


Belletjes verliezen, daar draait het in dit artikel om. Een schuimwijn zonder bubbels is als Romeo zonder Juliet: ondenkbaar. De pareling is geen detail, maar een essentie. We moeten er dus alles aan doen om die bubbels ook effectief in het glas te houden.

En daar wringt soms het schoentje. Want wist je dat je met een paar eenvoudige ingrepen het CO₂-verlies, en dus de bubbelkracht, drastisch kan beperken? Jawel: door simpelweg te letten op de temperatuur en de manier van inschenken, maak je al een wereld van verschil.

Irrigatie in Italië: Van taboe tot hulpmiddel in tijden van droogte


In een recent beluisterde podcast liet Aldo Clerico z’n stem klinken over een onderwerp dat in Piemonte lang als heiligschennis werd beschouwd: irrigatie in Barolo. Waar het vroeger ronduit verboden was om de wijngaarden water toe te dienen, is dat vandaag niet langer ondenkbaar. Sterker nog, het mag nu gewoon. Maar wie denkt dat hiermee meteen alle problemen van de baan zijn, heeft nog geen schop in de Piemontese grond gestoken. Want ja, irrigeren mag dan wel toegestaan zijn, het water vinden om dat effectief te doen is een ander paar mouwen.

Lagrein

Tijdens een lesmoment in onze opleiding tot Italian Wine Ambassador kregen we plots die onschuldige maar alleszeggende vraag: "Als je een druif was, welke zou je dan zijn?" Sommigen speelden op veilig met een Nebbiolo of Sangiovese. Begrijpelijk. Grote namen, iconisch bijna. Maar ik niet. Voor mij was het meteen duidelijk: Lagrein. Geen twijfel mogelijk. Niet de populairste, niet de makkelijkste, maar eentje met karakter. Een druif die geduld vraagt, koppig kan zijn, en zich alleen laat kennen aan wie moeite doet.

Niet overtuigd? Een oude vriend schreef ooit een gedicht over deze druif. Licht absurd, maar verrassend raak. Het bleef me altijd bij. Misschien omdat het onbedoeld precies vangt wat Lagrein is: tegendraads, uitgesproken en verrassend veelzijdig.

(de man, argeloze amateur)
-Zei de man, de stem vol venijn-:
“Wat rijmt er op Migraine?
Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!”

(het koor, boos):
Ach man, stop dat gedaas, zo vilein:
Lagrein, da’s pas goede wijn!
Geschikt voor feest of festijn
Het marineren van een konijn
Een ree of een everzwijn
Maar geenszins brasem of tonijn!
Ga heen, los op of verdwijn
En sidder thans van spijt en chagrijn!

(de man, ontzet en berouwvol)
Komaan, komaan, ’t was maar voor de gein
Schenk vol die pul en wel met wijn
Niet met Pinot Blanc, Pinot Noir noch Savagnin
Maar wel met Lagrein! Lagrein!! Lagrein!!!

Een karakterdruif die vraagt om geduld

Lagrein is geen allemansvriend. Hij vraagt de nodige aandacht en een benadering die rekening houdt met zijn eigen ritme. Zijn uitgesproken karakter komt pas echt tot zijn recht wanneer zowel de wijngaard als de wijnmaker hem de juiste condities bieden. In rijke, vochtige bodems verliest hij zijn focus. In warme, stenige hellingen met een goede drainage zoals de grindrijke terrassen van Gries in Bolzano voelt hij zich wél thuis. Daar groeit hij beheerst, met diepe wortels en een natuurlijke beperking in opbrengst, wat resulteert in compacte trossen en fruit dat niet alleen intens is, maar ook gebalanceerd.

Maar ook in de kelder moet je hem ruimte geven. Lagrein laat zich niet dwingen. Een te harde hand bij de extractie maakt hem stroef en onvriendelijk. Wordt hij te licht aangepakt, dan mist hij structuur en expressie. Bottel je hem te vroeg, dan krijg je brute kracht zonder finesse. De sleutel ligt bij wijnmakers die weten wanneer ze moeten ingrijpen en wanneer net niet. Geen trucjes of technologie, maar ervaring, vakmanschap en vooral: geduld.

Dat geduld wordt beloond. Wie Lagrein de tijd geeft om te rijpen, ontdekt een wijn die van hoekig naar harmonieus evolueert. In zijn jeugd kan hij ruw overkomen, koppig bijna. Maar geef hem wat jaren in hout en fles, en je proeft een fluweelzachte gelaagdheid die contrasteert met zijn donkere kracht. Het is die combinatie van densiteit en finesse die Lagrein zo fascinerend maakt. Hij is niet direct verleidelijk, maar op de lange termijn vaak onvergetelijk.

Juist omdat hij niet makkelijk is, past Lagrein ook niet in elke stijltrend of marketingverhaal. Hij is een druif met een uitgesproken identiteit, met een zekere onverzettelijkheid. En net daarom wordt hij gewaardeerd door wie zoekt naar wijnen met inhoud, die nieuwsgierig blijven naar alternatieven voor de bekende paden.

Lagrein blijft trouw aan zijn oorsprong, aan zijn temperament en aan zijn traagheid. Hij is geen wijn voor ongeduldige mensen, maar voor wie durft te wachten. Geen vluchtige flirt, maar een volwaardige relatie.

Een druif van goede komaf

Lagrein draagt zijn geschiedenis met trots, en die geschiedenis reikt verder dan vaak wordt gedacht. De oudst bekende schriftelijke vermeldingen dateren uit de 16e eeuw, toen de druif al duidelijk aanwezig was in Zuid-Tirol. Maar zijn verhaal begon mogelijk nog veel eerder. Sommige bronnen suggereren een etymologische link met Lagaria, een antieke Griekse nederzetting in Zuid-Italië. Of dat effectief de oorsprong is, blijft onzeker, maar de suggestie alleen al wijst op een lange, bijna mythische voorgeschiedenis. In elk geval is het duidelijk: Lagrein is geen nieuwkomer in het Italiaanse wijnlandschap, maar een vaste waarde met diepe wortels in de alpine cultuur.

Wat we intussen met meer zekerheid kunnen stellen, is dat Lagrein thuishoort in een cluster van oude Noord-Italiaanse druivenrassen die genetisch met elkaar verbonden zijn. Hij wordt beschouwd als een afstammeling van Teroldego, een krachtige, aromatische druif uit Trentino, en vertoont genetische verwantschap met onder meer Marzemino, Schiava Gentile en zelfs Pinot Nero en Syrah. Het is een indrukwekkende afstamming, die meteen ook de complexiteit, kracht en structuur van Lagrein verklaart. Maar zijn precieze familiegeschiedenis, inclusief onverwachte connecties, behandelen we later in dit artikel in een apart hoofdstuk over zijn stamboom.

Lagrein was in zijn thuisstreek altijd al een wijn van aanzien. Zo wordt in historische documenten uit 1370 vermeld dat keizer Karel IV het schenken van Lagrein aan soldaten verbood. Niet uit bezorgdheid over hun gezondheid, maar omdat de wijn als te kostbaar en verfijnd werd beschouwd voor het gewone voetvolk. Alleen geestelijken en de elite mochten zich eraan tegoed doen. Een vroeg bewijs van zijn status als wijn van kwaliteit.

Door de eeuwen heen bleef Lagrein een vaste waarde in Zuid-Tirol, met Bolzano, en in het bijzonder de wijk Gries, als centrum van zijn reputatie. Zijn populariteit kende ups en downs, met een heropleving in de late 20e eeuw, toen men opnieuw aandacht kreeg voor authentieke, lokale rassen met karakter en historie.

Zijn plaats in het Italiaanse wijnlandschap

Lagrein is stevig verankerd in het noorden van Italië, en dan vooral in de regio Trentino-Alto Adige. Binnen dat gebied zijn het voornamelijk Bolzano, Gries, Mezzolombardo, Cembra en de Valle dei Laghi die uitgroeiden tot kernzones voor zijn aanplant. Vooral Gries, een wijk in Bolzano, wordt nog steeds beschouwd als het epicentrum van kwaliteit. Daar, op rivierterrassen langs de Talvera, met een bodem vol grind en stenen, voelt Lagrein zich perfect thuis. De warme dagen en koele nachten zorgen voor een langzame, evenwichtige rijping. Maar terroir alleen is niet genoeg: het zijn de generaties wijnbouwers die hem hebben grootgebracht met geduld, precisie en een scherp oog voor detail, die het verschil maken.

Met ongeveer 650 hectare aanplant is Lagrein vandaag, met 9% van de aanplant, de tweede meest aangeplante rode druif in Alto Adige, net na Pinot Nero. Hij wordt zowel als monocépage gebruikt als in blends, vaak met Schiava, om zijn kracht te verzachten en zijn toegankelijkheid te vergroten. Toch staat hij ook op zichzelf sterk, met een herkenbare signatuur die nergens anders in Italië zo uitgesproken tot uiting komt.

Lagrein is erkend in meerdere herkomstbenamingen. Hij is officieel opgenomen in de DOC’s Alto Adige Lagrein, Trentino Lagrein, Valdadige/Etschtaler en Casteller. Daarnaast is hij toegestaan in diverse IGT’s, verspreid over Noord-Italië, waaronder Vigneti delle Dolomiti, Vallagarina, Mitterberg, Sebino, Alto Mincio, en zelfs delen van Lombardije en Veneto. Deze aanwezigheid buiten zijn kernregio is vaak beperkt in schaal en blijft doorgaans experimenteel of nichegericht, maar bevestigt wel zijn potentieel in verschillende microklimaten.

Ampelografie: het portret van een druif

Voor wie houdt van de details achter het glas: Lagrein is niet alleen een wijn met karakter, maar ook een druif met een uitgesproken profiel in de wijngaard. Zijn morfologische en fenologische eigenschappen maken hem zowel uitdagend als fascinerend voor wijnbouwers.

Lagrein is een vitale, krachtig groeiende druif met een robuuste stam en lange, weinig vertakte scheuten. Hij wordt vaak geleid volgens traditionele systemen zoals de pergola, en vraagt om langere snoei. De productie kan royaal zijn, maar is allesbehalve stabiel. In vochtige lentes is hij gevoelig voor colatura (bloesemval) en filatura (onvolledige vruchtzetting), wat de opbrengst grillig maakt. Ook waterbeheer speelt een grote rol: hij verdraagt matige droogte goed, maar vraagt controle om te vermijden dat de groeikracht ten koste gaat van de druifkwaliteit.

Lagrein stelt duidelijke eisen aan zijn omgeving. Hij houdt van warmte, maar niet van overdaad. Zijn voorkeur gaat uit naar stenige, goed drainerende bodems met lage vruchtbaarheid. Zoals de alluviale terrassen van Gries in Bolzano. Die arme gronden zorgen voor natuurlijke opbrengstbeperking, waardoor de plant zich concentreert op kleine, intens smakende druiven. In combinatie met warme dagen en koele nachten ontwikkelen de bessen hun typische frisheid en krachtige structuur.

In zijn vegetatieve cyclus behoort Lagrein tot de later ontwikkelende rassen. Hij loopt gemiddeld laat uit, bloeit rond het midden van het seizoen, en bereikt zijn rijpheid meestal half oktober. Die lange rijpingstijd vraagt om een stabiel klimaat met voldoende nazomerse warmte. De herfstkleur van de bladeren is opvallend roodbruin, wat hem in het najaar ook visueel onderscheidt in de wijngaard.

Het blad is middelgroot tot groot, pentagonaal en meestal trilobaat, met een donkergroene, matte bovenzijde en een licht behaarde onderzijde. De trossen zijn klein tot middelgroot, piramidaal van vorm, meestal compact en vaak met één of twee kleine ‘vleugels’. De bessen zelf zijn ovaal, gemiddeld van grootte, met een dikke, blauwzwarte schil. De pulp is neutraal van smaak, licht zuur en kleurloos, maar de schil is rijk aan anthocyanen zoals malvin en delphin. Deze hoge kleurintensiteit is wat Lagrein zijn iconisch diepe kleur geeft, die soms bijna inktachtig overkomt.

Lagrein is volledig zelfbestuivend, wat de opbrengst onder ideale omstandigheden voorspelbaarder maakt. Zijn weerstand tegen ziektes is gematigd: hij is gevoelig voor echte en valse meeldauw, maar relatief goed bestand tegen botrytis. Een aandachtige wijngaardzorg is dus onmisbaar.

Herkomst: een familie vol karakter

Wie Lagrein zegt, zegt Zuid-Tirol of Trentino. Maar achter deze druif schuilt meer dan een geografische oorsprong. Dankzij modern DNA-onderzoek en ampelografische studies weten we vandaag dat Lagrein geen geïsoleerde variëteit is, maar het product van een rijke, genetisch verweven familiegeschiedenis.

Centraal in die stamboom staat Teroldego, een nobele druif uit Trentino, bekend om zijn donkere kleur, aromatische kracht en robuuste structuur. Teroldego wordt algemeen erkend als een van de directe ouders van Lagrein, en verklaart een groot deel van zijn krachtige profiel. De tweede ouder is minder precies geïdentificeerd, maar er zijn sterke vermoedens dat het gaat om een variëteit verwant aan Marzemino. Eveneens een historische druif uit Noord-Italië.

De genetische verwantschap stopt daar niet. Lagrein blijkt ook verbonden met druiven als Schiava Gentile en Pinot Nero, wat zijn aromatische finesse en zuurgraad mee helpt verklaren. Verder in zijn uitgebreide stamboom duiken verrassend genoeg ook internationale namen op zoals Syrah, Refosco dal Peduncolo Rosso en zelfs Dureza, één van de ouders van Syrah. Dit wijst op genetische raakvlakken tussen Lagrein en enkele van de belangrijkste Europese druivenrassen.

Lagrein is dus geen toeval, geen vergeten druif die uit het niets opdook. Hij is het resultaat van eeuwen natuurlijke kruisingen tussen druiven met karakter, die samen een ras hebben voortgebracht dat stevig, diep en complex is. Geen wonder dus dat hij zich niet meteen blootgeeft. Maar wie bereid is om hem te leren kennen, ontdekt een druif met een stamboom waar je u tegen zegt.

De K3 van Lagrein bestaat uit: Kracht, kleur en karakter

Lagrein is geen makkelijke druif. Hij laat zich niet dwingen en straft ongeduld onverbiddelijk af. Wie hem te snel vinifieert, krijgt een rustieke wijn met scherpe randjes, hoekig en onevenwichtig. Maar wie zijn tijd neemt, zijn ritme respecteert en de juiste aanpak kiest, wordt beloond met iets zeldzaams: een wijn die kracht en finesse combineert, intens is zonder zwaar te worden, gelaagd zonder ondoorgrondelijk te zijn.

De Lagrein Dunkel is het vlaggenschip van de variëteit. Deze donkerrode wijn is vol, vlezig en stevig van structuur. Zijn tannine zijn uitgesproken aanwezig, maar goed rijpend en bij de juiste vinificatie fluwelig in plaats van stroef. In het glas toont hij zich krachtig: robijn tot paars van kleur, met een sappige textuur, een uitgesproken zuurtegraad en een lange afdronk. Dit is geen wijn voor tussendoor, maar een met inhoud, die zich traag opent en lang blijft hangen.

Weinig druiven hebben zo’n opvallend visueel profiel als Lagrein. De schil is rijk aan anthocyanen, wat de iconisch diepe kleur van Lagrein verklaart. Die hoge concentratie anthocyanen zorgt voor een diepe, haast inktachtige kleur. Zelfs bij beperkte schilweking blijft de wijn intens gekleurd, wat hem niet alleen visueel aantrekkelijk maakt, maar ook stevig en structuurvol. De kleur is dus geen façade, maar een voorbode van wat nog komt.

Wat Lagrein écht uniek maakt, is zijn aromatisch profiel. In de Dunkel vinden we aroma’s van viooltjes, zure kersen, rode pruimen, cassis, laurier, cacao, drop en bosgrond. In gerijpte versies kunnen daar toetsen van vanille of zelfs pure chocolade bij komen. De stijl varieert van krachtig en gespierd tot complex en elegant, afhankelijk van de vinificatie en rijping. Maar altijd is er die herkenbare combinatie van zuren, tannine en diepgang.

En dan is er nog zijn lichtere kant: de Lagrein Kretzer. Dit is de roséversie van Lagrein, traditioneel gemaakt via korte schilweking. Kretzer is minder complex, maar allerminst banaal. Hij legt de nadruk op fruit, fraîcheur en levendigheid, met tonen van aardbei, rode bes en soms een kruidige toets. Lichtvoetiger dan de Dunkel, maar met dezelfde herkenbare signatuur.

Riserva: the best of the best!

Lagrein is op zichzelf al een wijn met kracht en karakter, maar wanneer je een fles Riserva in handen hebt, weet je dat je een niveau hoger speelt. Dit zijn geen snelle flessen voor impulsieve drinkmomenten, maar doordachte wijnen waar de producent zijn beste druiven, grootste zorg en langste rijpingstijd aan heeft toevertrouwd.

Wat een Lagrein Riserva onderscheidt, begint al in de wijngaard. Voor deze wijnen worden bijna uitsluitend druiven van oudere stokken gebruikt. Die wortelen dieper, leveren minder maar geconcentreerder fruit, en geven druiven met meer diepgang en balans. De trossen zijn kleiner, de bessen dikker, met een rijkere schilstructuur en meer fenolische kracht. Dat proef je onmiddellijk: het sap is intenser, complexer en krachtiger.

Ook in de kelder wordt niets aan het toeval overgelaten. Riserva-wijnen ondergaan doorgaans een langere rijping, vaak op grote houten fusten of barriques. Die extra tijd op hout en later op fles zorgt voor zachtere tannine, een betere integratie van aroma’s en een gelaagde structuur die pas na enkele jaren volledig tot zijn recht komt. De stijl verschuift van uitbundig fruit naar diepte en nuance: rijpe pruimen, donkere chocolade, grafiet, balsamico en een minerale ondertoon die lang blijft hangen.

Een Lagrein Riserva is geen drinkwijn voor elke dag, maar een begeleider van gerechten met inhoud: wild, stoofpotten met paddenstoelen, bosduifjes of een stevig stuk lamsvlees. Gerechten met structuur, weerhaakjes en kracht, net als de wijn zelf.

Een druif voor de doorzetter

Lagrein is koppig, intens en heeft tijd nodig om te bloeien. Maar geef hem die tijd, en je krijgt er rijkdom en finesse voor terug. Het is een druif voor mensen die geen zin hebben in oppervlakkige pleasers. Voor wie gelooft dat karakter boven charme gaat. En dat een goed gesprek pas begint nadat de eerste indruk is weggeëbd.

Dus ja, als ik een druif was, dan was ik Lagrein. Geen allemansvriend, maar wel eentje waar je op kunt bouwen.
Soort
Herkomst

Alto Adige & UGA

Als je het Italiaanse wijnlandschap een beetje volgt kan je er vandaag moeilijk naast kijken: Alto Adige heeft zijn marketingmachine op volle toeren draaien om wereldwijd bekendheid te geven aan wat al sinds einde 2024 officieel is bekrachtigd. Jawel, 18 oktober 2024 was het eindelijk zover: ook Alto Adige, een van de meest prestigieuze wijnregio’s van Italië, heeft de stap gezet naar het invoeren van UGA’s (unità geografiche aggiuntive).