Graniet in de bodem van de wijngaard

Als het gaat over bodems van wijngaarden wordt vaak de geologie als uitgangspunt ge­nomen. Op etiketten van wijnflessen, in fiches techniques en in proefnotities wordt niet over wijngaardbodems gepraat in bodemkundige termen, maar in geologische. Ook al is daar wat op aan te merken, het is wel logisch. Wijngaarden liggen vaak op arme bodems, waarin verweerd materiaal van het onderliggende gesteente een bedui­dende rol speelt. En de namen van die ge­steenten zijn gewoon bekender dan de cor­recte benamingen van de bodems die erop gevormd zijn. Dit stuk gaat over bodems op magmatische (door magma gevormde) gesteenten, vooral graniet. Omdat in hun nabijheid vaak échte gneis (orthogneis in tegenstelling tot paragneis, ontstaan uit zandsteen) voorkomt - een belangrijk metamorf gesteente met als uitgangsgesteente graniet -  neem ik dat ook mee.

Ontstaan van graniet

Graniet is veelvoorkomend in de aardkorst en plaatselijk goed zichtbaar aan het aard­oppervlak, doordat het door de bovenliggende aardlagen heen is gebroken of door­ dat de bovenliggende aardlagen door erosie en verwering zijn verdwenen. Graniet is het bekendste magmatische gesteente ter wereld: het is gevormd door magma dat in de aardkorst langzaam is afgekoeld en gestold. Doordat het proces in de aardkorst plaats­ vond, ging de stolling langzaam en hebben mineralen de tijd gekregen kristallen te vormen, die duidelijk zichtbaar zijn in het gesteente. De bepalende mineralen zijn kwarts (50% en meer), veldspaten (kaliveldspaat en plagioklaas), mica's als biotiet en muscovieten amfibolen als hoornblende. In graniet lig­gen de mineralen in willekeurige richting. Als graniet onder hoge druk en temperatuur ver­andert (metamorfose), gaan de mineralen in een voorkeursrichting liggen en ontstaat gneis (orthogneis).

Waar vind je graniet?

Veel van het graniet in de Europese wijngebieden is grofweg tussen 390 en 300 miljoen jaar geleden ontstaan tijdens de Hercynische orogenese (gebergtevorming), die plaatsvond in het laat-devoon en het carboon. Het graniet (en gneis) dat toen werd gevormd, kom je nog steeds tegen in beroemde Europese wijngebieden. Zo zijn de bodems van de Wachau geologisch nog onderdeel van het Granit- und Gneishochland, een deel van het Boheems Massief. Ook de Vogezen en het Zwarte Woud bestaan grotendeels uit graniet, dat een rol speelt in de bodems van wijngaarden aan de voet van die gebergten, zoals in de Elzas en de Ortenau in Baden. Het graniet van Bretagne vindt eveneens zijn oorsprong in de Hercynische orogenese en is zichtbaar in delen van de Muscadet. Ook het Franse Centraal Massief is van graniet; geologisch gezien horen de bodems van de noordelijke Rhöne en de noordelijke Beaujolais daarbij. Verder bestaan bijvoorbeeld Sardinië, Galicië en grote delen van Portugal in de basis uit graniet. Je komt het dus tegen in wijngaarden van Gallura, Rias Baixas, Vinho Verde en Däo, om wat gebieden te noemen. Ook buiten Europa komt graniet veel voor; daar is het soms jonger (trias), soms (veel) ouder (precambrium) dan dat van de Hercynische orogenese. De spectaculaire rotsen Half Dome en El Capitan in Yosemite National Park in Californië zijn monolieten van graniet. Datzelfde graniet vind je in de AVA Sierra Foothills. Delen van het kustgebergte van Chili bestaan uit graniet en in wijnregio's van de West-Kaap is graniet, met zandsteen en schalie, een dominant gesteente. Ook Australische wijngebieden heb­ ben graniet; sommige zijn er zelfs naar ver­noemd, zoals Granite Belt in Queensland.

Bodems op graniet en gneis

Bodems op graniet en ook op gneis zijn in het algemeen (vrij) arm en daarom in princi­pe geschikt voor kwaliteitswijnbouw. Ze zijn vaak primair gevormd door het onderliggen­de gesteente. Als graniet verweert, door temperatuur, wind, water of op chemische wijze, valt het langzaam uit elkaar. Bepaalde mineralen veranderen niet, zoals kwarts (si­liciumdioxide), waardoor bodems op graniet vaak grof-zanderig zijn. Veldspaat verweert op chemische wijze tot het kleimineraal kaoliniet, dat een relatief geringe kationenom­ wisselcapaciteit heeft. Dit maakt dat bodems op graniet beperkt mineralen en water vasthouden en mede door hun grof-zanderige structuur goed draineren. Als graniet veel muscoviet bevat, zoals op sommige plekken in de noordelijke Rhöne, is de watervasthoud­ capaciteit beter, want verwering van muscoviet geeft een 'beter' kleimineraal, illiet.
Wijngaardbodems op graniet zijn doorgaans vrij ondiep, vooral op hellingen, maar dat wil niet zeggen dat de planten oppervlakkig wor­telen. Door scheuren in het gesteente vinden ze toch houvast en dieptewater om te overleven. Deze bodems zijn meestal arm aan hu­mus en zijn relatief zuur, met pH's van 7 (neutraal) tot minder dan 4,5 (zeer zuur), zeker als ze oud en dus sterk verweerd en zanderig zijn, en/of als ze in neerslagrijke klimaten liggen (water wast mineralen uit) en/of als zich geen toplaag van kalkrijke löss heeft afgezet.

Karakter van wijnen

Water en stikstof zijn beperkt voorhanden in bodems op graniet. Druiven neigen op deze arme, stenige bodems dus eerder naar de rij­pingsfase te gaan en zuren af te bouwen. Verder kan een gebrek aan stikstof in de bodem een gebrek aan stikstof in de most betekenen, wat voor enige reductie kan zorgen in het aroma van jonge wijnen. Dat zie je bij­ voorbeeld bij syrah van graniet in de noordelijke Rhöne. In principe zijn granietbodems dus niet geschikt voor aromatische witte wijnen, die het van thiolen moeten hebben. Wel zijn het goede bodems voor witte wijnen waarbij het meer om structuur draait, zonder dat ze dik worden, en uiteraard ook voor serieuze rode wijnen, met kleur en elegante tannine.

Smaken en ervaringen

De precieze invloed van bodems op wijnen blijft lastig te duiden en verschilt per gebied en klimaat. Wat betreft de zuren zeggen des­kundigen in zowel Duitsland als Zuid-Afrika dat wijnen van graniet juist wél waarneembaar goede zuren hebben. In Condrieu zegt men dat de Viogniers van graniet met de donkere micabiotiet 'zoutiger' smaken dan de rondere wijnen van graniet met de lichtgekleurde mica muscoviet. En in de Elzas vinden wijnmakers dat Riesling van graniet vrij slank, vroeg open en aromatisch is, en minder tijd nodig heeft dan Riesling van kalk en klei.
Mijn eigen ervaring met wijnen van (zanderige) granietbodems is dat ze in principe heel puur en fijn aromatisch zijn en zelden zwaar. Maar ik laat het aan u om te onderzoeken of dat steekhoudt. Neem een van de aanbevolen wijnen en zet die naast wijnen van het­ zelfde druivenras uit dezelfde streek, maar van een duidelijk andere bodem, bijvoor­beeld van een kalkrijke kleibodem met een alkalische pH. Ik garandeer dat u een significant verschil ervaart.

Bron: Perswijn - Artikel van Lars Daniels

Oenologies