Champagne - Geschiedenis

Een geschiedenis

Bij Sézanne, in het zuiden van de Champagne, zijn in tertiaire aardlagen fossiele overblijfselen gevonden van wilde wijnstokken. Miljoenen jaren geleden moeten die er dus hebben gegroeid. De wilde wingerd, die sinds zijn vondst vitis sezannensis wordt genoemd, heeft bij de intrede van de Ijstijd, in het Quartair, waarschijnlijk het loodje gelegd. Diepgevroren zijn ze na ontdooiing niet opnieuw tot leven gekomen.

De eerste wijnstokken in Champagne waarvan daadwerkelijk wijn is gemaakt, werden nog voor het begin van onze jaartelling door de Romeinen geïntroduceerd. Ze zijn, met de legioenen van Julius Caesar, vanuit het Middellandse Zeegebied mee opgerukt naar het noorden.
Tot rond de nieuwe stad Durocortorum, nu Reims, en verder. Durocortorum was de belangrijkste stad van Belgica, het noordelijke deel van Gallië. Om de stad te houwen, hadden de Romeinen een aantal ondergrondse steengroeven uitgehakt - onder de naam crayères dienen de groeven nu als ideale wijnkelders van enkele grote champagnehuizen.
Met de wijnstok introduceerden de Romeinen er, zo blijkt uit de geschriften, verschillende methodes van aanplanten, snoeien en geleiden.

Romeinen en Franken

Tussen de jaren 90 en 97 van onze jaartelling moesten door een besluit van keizer Domitianus alle wijngaarden in Gallië worden gerooid. Graan diende in de plaats te komen. Er was namelijk een tekort aan voedsel. Graan was schaars en duur en wijn was goedkoop. Wijn was er in overvloed. Het is onduidelijk of de keizerlijke orders werden opgevolgd, maar rond het jaar 285 moet de wijnbouw rond Durocortorum weer tot bloei zijn gekomen. In 280 was het verbod tot verbouw van de wijnstok in Gallië door keizer Probus opgeheven. Dan was het keizerrijk echter al over zijn hoogtepunt heen en werd de Romeinse provincie Belgica met regelmaat aangevallen door Germaanse barbaren uit het noordoosten. Onder andere door de Franken, het volk dat z'n naam gaf aan het land waar zij zich vestigden. In het hart van dit vroege vorstendom van de Franken lag het gebied dat, veel later, Champagne werd genoemd.
In 481 werd Chlodovech hun nieuwe vorst. Vanuit het vroegere Romeinse Durocortorum vestigde hij zijn rijk door voorheen rivaliserende clans te verenigen. En door te huwen met Chlotilde, de nicht van de Bourgondische koning, die een Germaans rijkje ten zuidoosten van de franken leidde. Omdat Chlotilde christen was, verwierf hij niet alleen aanhang onder de Bourgondiërs, maar stemde hij tevens zijn christelijke Gallo-Romeinse onderdanen hoopvol. Kerst 496 liet Chlodovech zich met 3000 stamgenoten n Durocortorum door de bisschop van de stad, Remigius, dopen. Door deze daad, die voor de verdere geschiedenis van Europa grote gevolgen had, won hij de steun van de Galliërs. Toen de koning in 511 overleed, was het Frankische Rijk reeds zeer uitgestrekt.
Het hoogtepunt van de Frankische glorie situeert zich rond het eind van de 9de eeuw, toen Karel de Grote in 800 door de paus tot keizer van een groot West-Europees rijk werd gekroond. In 814 werd Karel de Grote opgevolgd door zijn zoon Lodewijk I. Hij was de eerste in een lange reeks van Franse koningen die gekroond werden in wat toen Reims heette. Een traditie die stand hield tot de Franse revolutie. Nu afficheert Reims zich, onder andere, als cité des sacres, stad der kroningen. Dit privilege van Reims heeft veel bijgedragen tot de roem en populariteit van de wijnen van Champagne.

Monnikenwerk

De geestelijkheid en de religieuze orden liggen aan de basis van de ontwikkeling van de wijngaarden in Champagne. Reeds ten tijde van de eerder genoemde Remigius, bisschop van Reims rond 500, was dat zo. Hij kon koning Chlodovech dan ook een vat wijn aanbieden om de barbaar Alarik te verslaan.
In de Middeleeuwen konden de kloosters hun wijngaardbezit door aankopen en ook door schenkingen aanzienlijk uitbreiden. Dat kon ook door eigenhandige ontginning gebeuren. Vanaf de 7de eeuw ontdeden de lekenmonniken grote delen van de hellingen van het huidige champagnegebied van houtopstand en beplantten ze vervolgens met wijnstokken.
Aan de vooravond van de Franse revolutie bezaten de abdijen de helft van het totale wijngaardareaal van Champagne. De wijn was nodig voor de viering van de eredienst, maar vervulde ook een belangrijke economische functie in het bestaan van de kloosters. Er werd wijn geschonken aan de adel - in de hoop dat er, in ruil daarvoor, giften zouden worden gedaan - en er werd wijn verkocht aan de stedelingen. De inkomsten konden worden besteed aan het onderhoud van de abdijen en aan charitatieve doeleinden. Bovendien was wijn van belang in het raam van de gastvrijheid van de kloosters. Bij gebrek aan herbergen vonden de passanten immers onderdak bij de monniken. Voor een klooster was het belangrijk dat gewichtige personages zodanig ontvangen werden dat zij later de beste herinneringen bewaarden aan hun verblijf ter plekke. De monniken wilden vooral om die reden uitstekende wijnen in hun kelders hebben.

Overigens kwam ook buiten de geestelijkheid en religieuze orden wijnbouw tot ontwikkeling. Die behoorde toe aan de adel.

In de 10de eeuw was er sprake van een opvallend omvangrijke wijnbouwcultuur. Vooral in de buurt van Reims, maar ook ronde Épernay en bij Châlons-sur-Marne, Sainte-Menehould, Vitry-le-François en Sézanne. Daarna ging het alleen nog maar sneller, omdat de wijnen van Champagne steeds bekender werden. Niet in de laatste plaats ook vanwege de verkiezing in 1088 van Paus Urbanus II, geboren in de wijnbouwgemeente Châtillon-sur-Marne en een enthousiaste propagandist van de wijnen van zijn streek. Er was vooral een toenemende wijnbouwactiviteit onder de burgerstand.

Champagne profiteerde van de aanwezigheid van de Marne en, in mindere mate, de Seine en Aube. Deze rivieren leverden een belangrijke bijdrage aan de verspreiding van de wijn. Parijs was er goed door te bereiken en via die stad en de Seine kon de wijn ook verder worden getransporteerd naar Normandië om van daaruit, op zeeschepen, naar Vlaanderen, Holland en Engeland te gaan. Wat niet per boot kon worden vervoerd, ging over heerbanen, de oude Romeinse wegen, waarvan er vele via de oude hoofdstad van het Gallische Belgica liepen. Reims had immers het grote voordeel dat het lag op de grenzen van Ardennen, Picardië, lotharingen, Bourgogne en het Bekken van Parijs, waaronder het van oudsher een kruispunt van handelsroutes was. 
Vanaf de 12de eeuw vormden de verbeterde wegen de toegang tot de beroemde Foires de Champagne. Zakenlieden uit Engeland, de Nederlanden, Duitsland, Spanje, Italië en uit andere delen van Frankrijk ontmoetten er elkaar tijdens lawaaierige en drukke jaarmarkten, de foires.
Champagne was toen een centrum van het Europese economische leven. Grote hoeveelheden wijn uit deze streek werden door de massa bezoekers ter plekke geconsumeerd en gekocht voor thuisgebruik of doorverkoop. De wijnbouw in Champagne bloeide en de wijnbouwers leefden in welstand.

Erkenning voor Champagne

Het belang van de wijn van Reims als handelsartikel werd in het begin van de 14de eeuw onderstreept door de opkomst van de ourtiers de vin, makelaars die verkoper en koper bij elkaar brachten. Ze werden benoemd door het stadsbestuur. In diezelfde tijd werd ook de bouw van de kathedraal voltooid, waarmee de macht van Reims als kerkelijk centrum bevestigd werd. De aartsbisschop had vanouds grote belangen in de regionale wijnbouw, waaruit hij een aanzienlijk deel van zijn inkomsten verwierf. De aartsbisschop maakte daarom bezwaar tegen het recht van de burgerlijke autoriteiten om courtiers te benoemen, maar zijn oppositie faalde. De positie van de wijnmakelaars werd onderschreven door ettelijke koninklijke decreten. In het begin van de 15de eeuw, in juli 1412, verscheen er zelfs een koninklijk handvest dat de burgerlijke autoriteiten van Reims het alleenrecht gaf om courtiers te benoemen. Dezelfde verklaring sprak expliciet over de handel in wijnen, stille wijnen, als de belangrijkste inkomstenbron van de stad.

Champagne was tot in de 18de eeuw bijna altijd een stille wijn. Een wijn zonder belletjes. In die vervlogen eeuwen was het een rode of roséwijn, soms een vin gris, een witte wijn met een rossige gloed, gemaakt vooral van Pinot Noir en Pinot Meunier. Al in de 9de eeuw werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de vins de la Montagne, van de hellingen van de Montagne de Reims, en de vins de la Rivière, van de hellingen langs de oevers van de Marne. 
Hoe beter de wijn, des te specifieker de herkomstaanduiding. De beste wijnen van de Montagne kwamen van twee met name genoemde dorpen, te weten Bouzy en Verzenay. De beste van de Rivière waren die van Epernay, Ay en van de abdij van Hautvillers. Gedurende eeuwen bleven de namen van die specifieke dorpen belangrijk. Er werd dus gesproken van vin d'Ay, vin d'Avernay, vin de Hautvillers, vin de Verzy, vin de Sillery en natuurlijk vin de Reims. Toen Epernay, dat natuurlijk veel gunstiger lag dan Reims - aan de Marne en later aan de spoorlijn naar Parijs - meer ging meetellen, kwam de naam champagne als begrip pas geleidelijk aan in zwang. Dat was betrekkelijk laat. In 1601 werd naar verluidt voor het eerst expliciet geschreven over de 'vin de Champagne'.

De groeiende bekendheid van de wijnen van Reims, Epernay en omgeving had natuurlijk alles te maken met het feit dat de Franse koningen zich in Reims lieten kronen, maar ook met de kwaliteit van de wijn zelf. Vooral die van Ay heeft in het verleden naam gemaakt. 
Het was de favoriete wijn van Henri IV, de koning die champagne introduceerde aan het hof. De 16de eeuwse Paus Leo X bezat ook een wijngaard in Ay en drie Europese koningen uit die tijd, Karel V van Spanje, Frans I van Frankrijk en Hendrik VIII van Engeland, hadden ter plekke een agent die voor hen de beste wijnen moest selecteren. Ook Lodewijk XIV, in 1654 in Reims tot koning gekroond, had als favoriete drank champagne, tot hij, tegen het einde van zijn leven, op dringend advies van lijfarts Fagon, overstapte op Bourgogne.

Rampspoed

Ook in Champagne was het niet allemaal rozengeur en maneschijn. De strategische ligging van Reims, op een kruispunt van internationale wegen, leidde tot veel oorlogsgeweld op het grondgebied van Champagne. Een van de langdurigste en gruwelijkste conflicten was de Honderdjarige oorlog, die voor een groot deel in Champagne werd uitgevochten. Na het overlijden van Karel IV van Frankrijk eiste Edward III van Engeland in 1337 de Franse troon op. Al snel viel hij Frankrijk binnen en na een serie Engelse overwinningen leidde Edward in 1359 zijn leger naar Champagne om zich in de kathedraal van Reims tot koning van Frankrijk te laten kronen. Edward en zijn mannen sloegen een kamp op bij Verzy. De belegering van Reims, met ettelijke aanvallen, duurde 38 dagen, maar mislukte en Edward en zijn leger moesten zich terugtrekken. Door de slag waren de wijngaarden echter verlaten en de persen vernield. 
Na de kroning van Karel V in de kathedraal van Reims tot koning floreerde de wijnbouw weer. De archieven van de aartsbisschop laten zien dat rond 1375 het grondgebied van praktisch alle dorpen in een straal van 30 km rond Reims beplant was met wijnstokken.

In het begin van de 15de eeuw laaide de oorlog met Engelsen echter weer op en Reims kwam onder controle van het invasieleger. Het tij keerde toen de Fransen, onder de inspirerende leiding van Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans, Reims bevrijdden en Karel VII in 1429 in de kathedraal werd gekroond. De oorlog eindigde pas in 1453 en de expansie van de wijnbouwcultuur kon er opnieuw beginnen.

Maar door de oorlogen, en eveneens door de pest, had de Champagne dan zijn leidende rol in het Europese handelsverkeer verloren. Eerst werd Venetië, vervolgens Antwerpen en dan Amsterdam het centrum van de wereld. Een wereld die ondertussen steeds groter werd door ontdekkingsreizen en kolonialisme. Internationaal was de Champagne haar vooraanstaande positie kwijt, hoewel de wijn van de streek zijn voordeel deed met de moeizame verbindingen tussen Aquitanië en het Europese achterland.

De wijnen van Champagne wisten zich binnen Frankrijk te handhaven. Zeker na de beëindiging van de Honderdjarige oorlog en nog meer vanaf het moment, in 1461, dat Lodewijk XI in Reims tot koning van Frankrijk werd gekroond.

Cruciale ontwikkelingen

Tot in de 17de eeuw waren de wijnen van Champagne niet de schitterende witte, mousserende wijnen, zoals wij die nu kennen: het waren lichtrode stille wijnen, vins tranquilles. Vooral de gereputeerde wijnen uit Champagne waren rode of rosé wijnen. Ze leken sterk op de Bourgognes uit die tijd. Er was sprake van hevige rivaliteit tussen de twee.
Al eeuwenlang produceerde men in Zuid-Frankrijk, in Saint-Hilaire, tussen Limoux en Carcassonne, op systematische wijze mousserende wijnen. In Champagne werd voor 1700 ook met regelmaat een mousserende wijn geproduceerd. Het was echter het resultaat van toeval.
Wijnproducenten konden toen nog niet helemaal de geheimen van het gistingsproces doorgronden: vooral het fenomeen dat wij melkzuurgisting noemen, bleef lang onbekend. Rond 1700 begon men in Champagne evenwel geleidelijk aan, maar planmatig, mousserende wijnen te produceren. Dankzij de inspanningen van de benedictijnen uit de streek, Dom Pérignon, Frère Oudart en anderen, kreeg men het verschijnsel van de prise de mousse onder de knie - een uitvinding was het niet, want men wist in Champagne en elders al lang dat wijn in het voorjaar, bij stijgende temperatuur, voor de tweede keer kon gisten. Pas zo'n dikke 300 jaar geleden hebben monniken in Champagne dus bewust een tweede gisting op fles gestimuleerd door aan de wijn een kleine hoeveelheid rietsuiker toe te voegen. Die was opgelost in een vloeistof bestaande uit wijn en gistcellen. De dosage heeft echter alleen het gewenste effect als de tweede gisting gebeurt in een volledig gesloten fles. Slechts dan blijft het koolzuurgas in de wijn bewaard. Het was Dom Pérignon die de kurk herontdekte en in Champagne introduceerde. Maar Dom Pérignon deed nog veel meer voor de vervolmaking van champagne, zoals wij deze fijne drank nu kennen.
Hij was de eerste in Champagne die van blauwe druiven een compleet heldere, witte wijn kon produceren. In hoge mate dankzij de verticale pers die hij ontwikkelde - en die tot op de dag van vandaag bijdraagt tot de grote klasse van het geperste sap.
Overigens worden witte wijnen van blauwe druiven aanzienlijk hoger geschat en veel meer gewaardeerd, dan witte wijnen van witte druiven.
Dom Pérignon haalde de veel sterkere Engelse fles, die de druk van mousserende wijn kan weerstaan, naar Champagne. Flessen zijn nodig om de wijn mousserend te krijgen en te houden, maar tot dan was het in Frankrijk gebruikelijk wijn op vat te bewaren en te transporteren en van het vat te schenken. In Engeland daarentegen bewaarde men toen al wijn op flessen. Deze flessen waren zwaar en sterk. 
In Engeland, of in Spanje, ontdekte Dom Pérignon (of één van zijn confraters) de kurk als stop. De tot dan gebruikte houten stoppen, die ontwikkeld waren met in olie gedrenkte lappen, bleken voor stille wijnen weinig geschikt en voor de nieuwe mousserende wijnen volkomen onbruikbaar.

De belangrijkste bijdrage van Dom Pérignon tot de ontwikkeling van champagne zoals we ze nu kennen, was de kunst van het assembleren van wijnen van vele verschillende wijngaarden en verschillende druivenrassen tot een harmonieuze en complexe wijn. Dom Pérignon was de intelligente en hard werkende keldermeester van de abdij van Hautvillers geweest. Hij heeft veel betekend voor de geschiedenis van de méthode champenoise. Maar met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - ondanks het feit dat de legende ons het wil doen geloven - heeft hij de essentie van de champagnebereiding, het bewust en doelgericht creëren van mousse door een tweede gisting op fles, niet ontwikkeld en vervolmaakt. Vermoedelijk was het Frère Oudart, keldermeester van de abdij van Saint-Pierre-Aux-Monts die voor het eerst een liqueur de tirage gebruikte. Dom Pérignon en Frère Oudart hebben elkaar gekend. Ze ontmoetten elkaar en voerden er ongetwijfeld boeiende gesprekken over hun experimentele onderzoeken; wellicht hebben ze ook resultaten uitgewisseld.

De belletjes komen

Natuurlijk is het niet zo dat het werk van Dom Pérignon, Frère Jean Oudart en anderen op het einde van de 17de en in het begin van de 18de eeuw de Champagne meteen op haar kop zette. Veranderingen komen meestal geleidelijk en das ook hier het geval. Overigens is de geschiedenis van de champagne in de 18de eeuw in dichte nevelen gehuld. Voorlopig genoten rode wijnen nog steeds de grootste reputatie. De naam champagne was ook strikt voor die wijnen gereserveerd. De wijn met belletjes werd simpel aangeduid als vin mousseux, sauté bouchant, flacon mousseux of vin de Pérignon. Overigens mousseerden ze niet al te veel.

Op 25 mei 1728 werd een arrest uitgevaardigd dat het transport van champagne in manden van 50 tot 100 flessen toestond. De legalisering van het transport op fles was een belangrijke stimulans bij de oprichting van de eerste champagnehuizen in Reims en Epernay. Veel van de courtiers, de wijnmakelaars die champagne verkochten, werden nu négociants - die champagne zowel produceerden als verhandelden. Veel van die oude firma's bestaan nog.
Ondanks de vaak slechts geringe druk was de kwaliteit van de flessen in de beginperiode van de mousserende champagne zeer matig. In de kelders moest tot op het eind van de 19de eeuw worden gewerkt met ijzeren gezichtsmaskers. Exploderende flessen veroorzaakten ongelukken en kostten handen vol geld. De flessen kwamen voornamelijk van de 13 glasblazerijen langs de riviertjes in Argonne. Toen in 1735 per koninklijk decreet het flesgewicht geüniformeerd en verhoogd werd, kon dat de kwaliteit van de in Argonne gefabriceerde flessen verbeteren.

Overigens konden in de 18de eeuw alleen de allerrijksten het zich veroorloven echte champagne, gebotteld en gerijpt in de streek te drinken. Die rijken dronken hem echter met volle teugen. Champagne was in de 18de eeuw de absolute favoriet aan het hof te Versailles. Naast de adel waren ook de Parijse intellectuelen, de denkers van de Verlichting, verzot op de frisse, levendige, feestelijke wijn. koning Lodewijk XV, madame de Pompadour en anderen dronken het bij alle gelegenheden en waren er veel.

De markt en de industrialisatie

Na een lange periode van revolutionaire troebelen volgden de napoleontische oorlogen. Daarvoor moesten veel mannen onder de wapens. Via hoge belastingen diende men bovendien veel geld te verzamelen. Napoleon zelf passeerde onderweg naar de slagvelden niet alleen ettelijke keren Reims en Epernay, maar hield er ook halt. Hij nam veel champagne mee op zijn veldtochten door Europa en zo leerde men elders die Franse topwijnen kennen. Maar uiteindelijk was Napoleon de oorzaak dat Russische, Pruisische en Oostenrijkse troepen in januari 1814 het oosten van Frankrijk binnenvielen. Binnen de kortste keren had het invasieleger zijn kamp opgeslagen in Champagne. Na zware gevechten vielen Reims en Epernay, en daarmee de gehele streek, in vijandelijke handen.
De bezetting van Champagne maakte de bezetters bekend met champagne. Eens te meer werd het Franse spreekwoord 'Qui a bu, boira' (wie heeft gedronken, zal weer drinken) bewaarheid. Uiteindelijk werd de export naar vooral het Russische tsarenrijk, Duitsland en Oostenrijk zeer aanzienlijk.

De wijnbouw was (en is nog altijd) zeer ambachtelijk, maar juist de champagneproductie kende een relatief groot aantal menselijke ingrepen. Oorspronkelijk was het allemaal handwerk. In de loop van de 19de eeuw konden enkele manipulaties echter worden geautomatiseerd. De champagnehuizen voeren er wel bij.
Jean-Antoine Chaptal heeft met zijn studie: Traité théorique sur la culture de la vigne, avec l'art de faire le vin in 1801 veel opgehelderd over de mogelijkheden van de toevoeging van suiker tijdens de gisting om het alcoholgehalte van de wijn te verhogen. 
In 1836 werd de kennis hieromtrent direct toepasbaar voor de champagne industrie, toen André François, ex apotheker in Châlons-sur-Marne, de Traité sur le travail des vins blancs mousseux publiceerde, een studie over de systematische toevoeging van suiker om een tweede gisting op fles te bewerkstellingen. Ook ontwikkelde hij een apparaat, de sucre-oenomètre, waarmee men precies kon vaststellen hoeveel suiker moest worden toegevoegd om door koolzuurgas, de mousse, een druk van zes atmosfeer in een fles te verkrijgen.
Eerder, in 1805, werd er door de 27-jarige weduwe Nicole Barbe Clicquot (geboren Ponsardin), van het huis Clicquot, gepionierd met een nieuwe vorm van remuage. Al in de tijd van Dom Pérignon werden flessen op de kop in het zand gezet om het depot naar de hals te laten zakken, maar door de nieuwe techniek van de veuve werd het depot op een actieve manier, systematisch naar de kurk gedreven. Haar experimenten leidden uiteindelijk tot de ontwikkeling van de purpitre, een schuin op te stellen houten plank met gaten waarin 60 flessen konden worden geplaatst.

In de jaren tachtig van de 19de eeuw werd een nieuwe methode voor het dégorgement, het verwijderen van het depot, uitgevonden. Al vanaf begin 1800 bestond het dégorgement à la volée, waarbij men de fles ondersteboven hield als de kurk werd verwijderd. Het bezinksel verliet vervolgens, met wat champagne, de fles, waarna de fles meteen rechtop moest worden gezet. Vanaf 1884 ontwikkelde Armand Walfart het dégorgement à la glace, waardoor men veel grotere aantallen flessen in veel kortere tijd op een efficiënte manier kon ontdoen van hun bezinksel. Daartoe werden de halzen van de ondersteboven staande flessen bevroren, zodat de dégorgeur zonder problemen de fles rechtop kon zetten en de kurk kon verwijderen. Door de koolzuurgasdruk schoot het bevroren propje weg en ging er verder geen champagne verloren.

Gestimuleerd door allerlei industriële uitvindingen groeide de champagnehandel voorspoedig. Tussen 1811 en 1870 kwamen er in Epernay, Reims, Châlons-sur-Marne, Ay, Mareuil-sur-Ay, Ludes en Vertus 21 champagnehuizen bij. In 1882 werd op initiatief van Heidsieck & Co, G.H. Mumm & Co en Giesler & Co een syndicat van champagnehuizen gesticht. In het voorjaar van 1884 kreeg het syndicat een wettelijke basis. De naam veranderde in Syndicat du commerce des vins de champagne.
In 1912 werd een tweede, alternatieve organisatie gevormd onder de naam Syndicat des négociants en vins de Champagne. In het eerst genoemde verbond zaten de huizen die zich tot de beste rekenden. in de nieuw opgerichte organisatie de wat minder illustere.

Phylloxera en oorlog

In de 19de eeuw ging het niet iedereen goed. Zij die wijngaarden bezaten in de gereputeerde gemeenten verkochten hun druiven voor een goede prijs (per kilo) aan de steeds talrijker wordende champagnehuizen. Maar anderen hadden nauwelijks de kans om de vrucht van hun arbeid aan de producenten-négociants te verkopen. Bovendien was door de aanleg van spoorwegen en de daaruit voortvloeiende nieuwe transportmogelijkheden, de wijn uit de midi, het zuiden van Frankrijk, een geduchte concurrent geworden op de markt van Parijs en het noorden van Frankrijk. Als gevolg hiervan liep het aantal wijnbouwgemeenten in Champagne terug met een derde. De wijnbouw verdween geheel in de gebieden rond Vitry-le-François en Sainte-Menehould.

Het proces van de sanering werd nog versterkt door de verschrikkelijke crisis die de phylloxera van 1890 in Champagne teweegbracht. De phylloxera vastatrix, een druifluis die al de wijnstokken verwoest, werd in de jaren zestig van de 19de eeuw ontdekt in de wijngaarden in de buurt van Avignon. Geleidelijk aan verspreidde ze zich vanuit het zuiden over geheel Frankrijk (en Europa) en verwoestte bijna alle oorspronkelijke wijnstokken. Aanvankelijk maakte men zich in Champagne geen zorgen, maar in de zomer van 1988 werd de phylloxera gesignaleerd in de Aube, in de zomer van 1890 in Aisne en in de zomer van 1892 ook in het hart van Champagne, in het departement Marne, in Mesnil-sur-oger, Mardeuil, Chavot, Moussy, Damery en andere gemeenten. In eerste instantie was het aangetaste areaal nog zeer beperkt, maar op 290 oktober 1901 werd het gehele departement Marne officieel uitgeroepen als "phylloxéré".
Gelukkig had men toen al lang ontdekt wat de beste remedie is tegen deze vraatzuchtige druifluis. Men profiteerde in Champagne van de strijd tegen de phylloxera in zuidelijker gebieden. Alle wijnstokken moesten worden gerooid en nieuwe moesten worden geënt op phylloxera-resistente, Amerikaanse onderstokken. Kostbaar en tijdrovend, niettemin noodzakelijk en succesvol. De operatie was echter nog niet voltooid toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

De 20ste eeuw

De eerste wettelijke afbakening van het wijnbouwgebied Champagne had plaats tussen 1908 en 1919. In 1927 werden de grenzen van de champagne viticole vastgelegd en in 1936 behoorde Champagne bij de eerste gebieden waarvan de rechten op een wettelijk beschermde herkomstbenaming waren gehonoreerd door het in 1935 opgerichte Comité national des appellations d'origine. De appellation contrôlée Champagne dateert van juni 1936.

In 1941 werd het Comité interprofessionnel du vin de Champagne opgericht. Een overkoepelende organisatie waarin de gemeenschappelijke belangen van wijnbouwers en champagnehuizen werden behartigd. Tot op de dag van vandaag vervult dit Comité interprofessionnel een belangrijke rol in de verdediging van de belangen van de champagne industrie. Het kantoor CIVC is gevestigd in Epernay.

De voorspoed van de laatste decennia heeft Champagne veel goeds gebracht. Het zijn echter sterke benen die de weelde kunnen dragen. De naam champagne verkoopt in veel gevallen zichzelf en daar wordt door sommige producenten doelbewust misbruik van gemaakt. De prijzen zijn hoog, terwijl de kwaliteit vaak achterblijft. Op de golven van het succes zijn de kwaliteitseisen niet zelden te minimaal geformuleerd. Om aan de vraag te kunnen voldoen, moet er, koste wat kost, worden geproduceerd. Er is voldoende dunne, schrale, matige mousserende wijn op de markt, die de naam champagne niet waardig is. Het imago van de in potentie unieke, fijne en feestelijke wijn wordt daardoor flink beschadigd. 
Elke goede mousserende wijn van elders is beter dan een matige of slechte champagne!